Ereregels

Ereregels, laatstelijk gewijzigd (Art. 12) door de Algemene Ledenvergadering op 3 juli 2007.

1.  Alle gewone leden, leden-BMM gemachtigden en ereleden, zullen zich in de uitoefening van hun beroep gedragen overeenkomstig de belangen van het publiek, van hun cliënten, van het beroep en van de doelstellingen van de vereniging.

De Raad van Toezicht (zie artikel 15 van de Statuten) kan alle gewone leden, leden-B.M.M. gemachtigden en ereleden ter verantwoording roepen, zowel wat betreft hun eigen beroepshandelingen als wat betreft de beroepshandelingen van met hen samenwerkende of onder hun verantwoording werkende personen.

Waar hierna gesproken wordt van "leden" worden daarmee bedoeld de in dit artikel aangeduide leden.

2.  De leden zullen onwaardig gedrag vermijden in de uitoefening van hun beroep.

Bijvoorbeeld is het hen niet toegestaan:

a.  zich in enig opzicht zodanig te gedragen dat daarvan misleiding van een wederpartij, van enige autoriteit of van enige derde het gevolg zou kunnen zijn;

b.  strijdige belangen te behartigen, tenzij ter bemiddeling, en met de kennelijke toestemming van de betrokken partijen. Het verrichten van een depot is op zichzelf niet aan te merken als het behartigen van een
strijdig belang.

3. Behoudens het overigens in deze ereregels bepaalde, dient een lid zich bij de uitoefening van zijn beroep slechts te laten leiden door het belang van zijn opdrachtgever of cliënt, met uitsluiting van alle andere
belangen, zijn eigen belang daaronder begrepen; met dien verstande dat een lid zijn oordeel ten aanzien van hetgeen passend en in de omstandigheden dienstig is dient te vormen in onafhankelijkheid, ook ten opzichte van zijn opdrachtgever of cliënt.

4. Een lid dient in zijn beroepsuitoefening alle facetten van zijn praktijk met beleid en efficiëntie, en met de grootst mogelijke zorgvuldigheid waar te nemen. In financiële zaken dient een lid zich steeds met de
grootste nauwgezetheid te gedragen, zowel ten aanzien van zijn opdrachtgever of cliënt als ten aanzien van beroepsgenoten en derden.

5. Een lid behoort bij het berekenen van zijn honoraria redelijkheid te betrachten.

6. Niet slechts opdrachtgevers en cliënten maar ook beroepsgenoten en derden moeten erop kunnen vertrouwen dat wanneer aan een lid in de uitoefening van zijn beroep vertrouwelijke inlichtingen zijn verschaft, de vertrouwelijkheid daarvan zal worden gerespecteerd.

7. Een lid dient in zijn beroepsuitoefening te zorgen dat de opdrachtgever of cliënt steeds zodanig van alle terzake doende ontwikkelingen en omstandigheden op de hoogte is, dat deze in staat is om naar behoren te oordelen over de te nemen beslissingen.

8. Een lid dient zich in zijn beroepsuitoefening ten aanzien van beroepsgenoten te laten leiden door welwillendheid en redelijkheid.

9. a. Indien een lid een zaak in behandeling neemt die eerst door een ander lid werd behandeld, zal hij alvorens met de behandeling te beginnen bij de opdrachtgever informeren of die zijn voorganger het ter
zake van diens verrichtingen verschuldigde heeft voldaan en indien dat niet het geval is op onverwijlde afrekening en betaling aandringen. Indien de opdrachtgever de voorganger nog ambtelijke taksen moet vergoeden met betrekking tot de overgenomen zaak, zal de opvolger zijn werkzaamheden opschorten totdat die zullen zijn vergoed, tenzij de omstandigheden een dergelijke opschorting niet toelaten. 2)

b. Onverminderd het sub (a) bepaalde, is een lid gehouden om naar redelijkheid medewerking te verlenen aan een beroepsgenoot in zaken die door deze beroepsgenoot van het betreffende lid zijn overgenomen; daaronder is in elk geval begrepen het kosteloos en zonder verwijl verschaffen van de originelen (of, waar dat toereikend is, van kopieën) van alle redelijkerwijs dienstige dossierstukken.

10.  Ieder lid is verplicht om zich te richten naar verzoeken of instructies van de Raad van Toezicht.

Wervende activiteiten

11. Het is een lid toegestaan publiciteit te bedrijven, onverminderd zijn verantwoordelijkheid volgens de wet en voor zover zulks niet in strijd is met deze Ereregels. 3)

12. Wie als lid van de BMM is toegelaten, zal dit lidmaatschap niet vermelden in externe communicatie als zou uit dat enkele feit volgen dat hij door de BMM is erkend als merken- en/of modellengemachtigde, tenzij het lid is ingeschreven in een door de BMM ingericht register van merken- en modellengemachtigden en de ter zake van deze inschrijving en de externe communicatie gestelde voorwaarden door hem worden nageleefd. Bij externe communicatie van het kantoor waar een lid werkzaam is, moet iedere schijn worden vermeden dat het kantoor zelf of andere aan dat kantoor verbonden personen als merken- en/of modellengemachtigde zijn erkend door de BMM, terwijl zij dat niet zijn. Ieder lid ziet er op toe dat geen externe communicatie van het kantoor waar hij werkzaam is onder de naam van een lid plaatsvindt indien de desbetreffende persoon niet verantwoordelijk is voor de inhoud daarvan. 4)

13. Een lid dient erop toe te zien, dat publiciteit die door of ten behoeve van hem wordt bedreven in overeenstemming is met de zorgvuldigheid die een behoorlijk merkengemachtigde betaamt en geen inbreuk vormt op het streven van merkengemachtigden naar een onderlinge verhouding die berust op welwillendheid en vertrouwen. 5)

14. Het is een lid niet toegestaan publiciteit te bedrijven waarbij zijn diensten worden vergeleken met die van andere, met name aangeduide leden, voor zover die vergelijking misleidend is dan wel voor zover daarbij de naam van een ander lid wordt gebruikt. 6)

15. Het is een lid niet toegestaan publiciteit te bedrijven door het rechtstreeks en individueel benaderen van mogelijke opdrachtgevers, niet zijnde cliënten behoudens voor zover dat schriftelijk geschiedt. 7)

16. Behoudens voorafgaande toestemming van de cliënt is het een lid niet toegestaan publiciteit te bedrijven over de bijzonderheden van zaken die bij hem in behandeling zijn of zijn geweest, over de persoon van
zijn cliënt of over de aard en omvang van diens belangen. 8)

17. De publiciteit van een lid over zijn tarieven en voorwaarden dient ondubbelzinnig en duidelijk te zijn. Daartoe dient in ieder geval duidelijk te zijn op welke diensten zij betrekking hebben.

18. Het is niet toegestaan in publiciteit te volstaan met minimumprijzen.

19. Een lid is gebonden aan de door hem gepubliceerde tarieven en voorwaarden. 9)

Notities

•1. De directe aanleiding tot herziening van de Ereregels vormt het feit dat de Europese Commissie bij beschikking van 7 april 1999 nummer C (1999) 494
heeft geoordeeld dat de EPI-gedragscode niet verenigbaar is met artikel 85 EG-Verdrag voor zover die een categorisch reclameverbod bevat. Ereregels  gewijzigd (Art. 9 e.v.) door de Algemene Ledenvergadering op 5 april 2000.

•2. Naar het voorbeeld van de Nederlandse Orde van Advocaten wordt het niet juist geacht dat iemand in de uitoefening van zijn beroep wordt belemmerd een zaak in behandeling te nemen enkel ter bescherming van de
financiële belangen van een ander lid, aan wie de normale wettelijke middelen ten dienste staan ten einde betaling van zijn diensten te verkrijgen. Anders is het in het geval dat het niet betalen onbehoorlijk moet worden
geacht, waarbij met name gedacht moet worden aan het geval dat de gemachtigde een groot bedrag aan taksen of andere kosten heeft voorgeschoten. In beginsel kan de BMM hier slechts haar leden bindende
regels stellen. Het valt te hopen dat de burgerlijke rechter een dergelijke zorgvuldigheidsnorm algemene gelding zal geven.

•3.De voorgestelde regeling gaat uit van een vrijheid van publiciteit, maar stelt daaraan zekere voorwaarden en beperkingen. D.w.z. dat bij een toetsing van een
klacht aan de Ereregels de vrijheid voorop dient te
staan. De zinsnede " onverminderd zijn verantwoordelijkheid volgens de wet (vergelijk art. 7
van de Nederlandse Grondwet) beoogt tot uitdrukking te brengen dat gedragingen van een lid op het gebied van de publiciteit niet onttrokken zijn aan een beoordeling door de burgerlijke of strafrechter, of door de tuchtrechter op grond van wettelijke bepalingen die met de publiciteit zijn overtreden. Voorts verdient opmerking dat het begrip publiciteit beoogt alle naar buiten gerichte mededelingen te omvatten met inbegrip van berichten op het internet en via e-mail.

•4. Naar verwachting zal de wetgever het gebruik van het woord merkengemachtigde voorbehouden aan hen die blijk hebben gegeven van vakbekwaamheid en de BMM hoopt en verwacht dat haar leden door de eisen
die de BMM aan toelating stelt, zich daardoor als
merkengemachtigde kwalificeren. Indien men zich ook op andere wijze als merkengemachtigde kan
kwalificeren, krijgt de toevoeging BMM op den duur extra gewicht In artikel 1 is reeds voorzien in de aansprakelijkheid van de leden voor beroepshandelingen
van met hen samenwerkende of onder hun verantwoording werkende personen. In het kader van de publiciteit dient echter tevens te worden gewaakt
voor het gebruik van het betrouwbaarheids- en kwaliteitsimago van een (BMM) merkengemachtigde door personen die geen lid zijn door gebruik te maken
van het feit dat een ondergeschikte (BMM) merkengemachtigde is.

•5. Dit is een nadere uitwerking van de algemene regel die wordt gegeven door art. 8. In dit artikel wordt een vrij breed geformuleerde algemene zorgvuldigheidstoets geformuleerd waaraan publiciteit van een lid behoort te
voldoen. De formulering beoogt vooral aan te geven dat individuele reclame niet in de weg staat aan het algemene streven naar goede onderlinge verhoudingen tussen leden. Dat streven blijft een noodzakelijk                                                                                                   element voor een goede beroepsuitoefening. De algemene zorgvuldigheidsregel geldt niet alleen ten opzichte van het publiek en uiteraard de cliënten en andere leden, maar ook ten opzichte van de tegenpartij en derden die bij zaken van het lid betrokken zijn of geweest zijn. De Ereregels beogen de belangen van het publiek te beschermen en een onderlinge verhouding van welwillendheid en vertrouwen tussen leden in stand te houden. De onderlinge verhouding van welwillendheid en vertrouwen blijft bescherming verdienen omdat zijmede strekt tot bevordering van een goede beroepsuitoefening. De ervaring heeft geleerd dat een behoorlijke onderlinge verhouding tussen de leden van de BMM in het algemeen de goede behartiging van de aan hen toevertrouwde belangen bevordert. Wanneer bijvoorbeeld het verbod op de directe benadering van potentiële cliënten (artikel 15) zou worden opgeheven, zou dit de ontwikkeling van agressieve reclamecampagnes en het "overvallen" van cliënten in de hand kunnen werken. Daarbij verdient opmerking dat het niet gaat om min of meer openbare, tot consumenten gerichte mededelingen zodat de beperkingen van artikel 6:194 BW niet van toepassing zijn. (Voor alle duidelijkheid: benadering per post via direct mail is wel toegestaan, omdat de aard van dit medium een weloverwogen en zelfstandige beslissing beter mogelijk maakt.)

6.  (Zie ook noot 1) De formulering dat het een lid wordt verboden zijn diensten te vergelijken met die van andere, met name aangeduide leden bedoelt aan te
geven, dat een lid zich in publiciteit wel mag onderscheiden van andere leden in het algemeen, mits
niet misleidend, maar niet met een of meer ander, met name aangeduid lid. Sinds 1997 is de Europese Richtlijn 97/55/EGj* 84/450/EG betreffende misleidende en vergelijkende reclame van kracht Die richtlijn draagt de lidstaten op een en ander voor 23 april 2000 in hun nationale wetgeving op te nemen, maar het is vaste rechtspraak dat zolang dat niet het geval is, de nationale rechter de wet zo moet uitleggen en toepassen dat een richtlijn conform resultaat wordt bereikt. Voor Nederland werd dat destijds door de HR beslist in het Michelin-arrest. Artikel 4 van de (gewijzigde) richtlijn staat het de nationale wetgever toe regels te geven krachtens welke personen of organisaties, die volgens de nationale wetgeving een rechtmatig belang hebben bij het verbieden van misleidende reclame of het reguleren van vergelijkende reclame, zelf een uitspraak kunnen doen over een klacht. Daarnaast laat artikel 7 het toe dat de lidstaten een verdergaande bescherming tegen misleidende reclame geven van personen die een vrij beroep uitoefenen, mits de vergelijking als zodanig niet wordt verboden. Hieruit kan worden afgeleid dat het in elk geval niet mogelijk is dat de Ereregels het een lid verbieden vergelijkende reclame te maken, die niet misleidend is. Daarnaast valt af te wachten of de nationale wetgevers van de Benelux landen een regeling zullen geven die het mogelijk maakt zekere beperkingen aangaande de misleidende reclame voor het vrije beroep tuchtrechtelijk te handhaven. Het is te verwachten dat dat het geval zal zijn. Daarop vooruitlopend heeft de Raad van Toezicht gemeend dat de thans voorgestelde bepaling de rechteriijke toets in de toekomst zal doorstaan.

•7. Deze regel verbiedt leden potentiële opdrachtgevers die niet zijn cliënten zijn, telefonisch of in persoon te benaderen. Benadering per post is wel toegestaan,
omdat de aard van dit medium een weloverwogen en zelfstandige beslissing beter mogelijk maakt Direct mail die er specifiek op gericht is zaken van andere leden af te troggelen is niet toegestaan. Zie voorts de aantekening onder noot 5.

•8. Het heeft zin hieromtrent een expliciete regeling op te nemen, omdat met het zelfstandig optreden van de merkengemachtigde in gevallen van
inschrijvingsweigering en oppositie de belangen van de
cliënt en van het publiek eerder in het gedrang zullen komen, dan voorheen. Publiciteit bedrijven met de
uitslag van zaken of met de namen van bedrijven die
men tot zijn clientèle mag rekenen kan irritatie wekken en misleiding opleveren. Ben lid mag echter, binnen
zekere grenzen, wel meewerken aan publiciteit over een zaak die bij hem in behandeling is of is geweest. Bij iedere vorm van publiciteit, daaronder begrepen het beantwoorden van vragen van publiciteitsmedia of het anderszins verienen van medewerking aan publiciteit omtrent een zaak, die bij hem in behandeling is of geweest is, dient een lid immers het belang van de cliënt en de ten opzichte van hem in acht te nemen zorgvuldigheid voorop te stellen. Dat houdt onder meer in dat de cliënt voor die medewerking vooraf toestemming dient te verlenen en dat het lid zich in elk geval van die medewerking onthoudt indien de cliënt dat verlangt. Onder deze regel valt dus niet het publiceren over een in een bepaalde zaak spelend juridisch probleem zonder dat daarbij wordt medegedeeld dat men die zelfheeft behandeld of daarbij betrokken is geweest en zonder daarbij feitelijke gegevens te vermelden, die niet reeds openbaar toegankelijk zijn.

9. Voor tarieven bestaat veel belangstelling bij het publiek en het spreekt vanzelf dat publiciteit daarover mogelijk moet zijn overeenkomstig de aan publiciteit te stellen eisen. Omdat publiciteit niet misleidend mag zijn verdient het aanbeveling dat leden in hun tarieven kenbaar maken welk deel van het te berekenen bedrag bestaat uit salaris en welk deel uit kosten (taksen). Het lijkt in strijd met het vertrouwen in de merkengemachtigden dat de cliënt bij het Merkenbureau moet informeren wat de taksen zijn om zo vast te stellen welk salaris de merkengemachtigde berekent Voorts verplicht de wet kenbaar te maken of aan te geven wat het BTW bedrag is. De regeling verbiedt een lid niet in voorkomend geval minder in rekening te brengen dan in eerder gepubliceerde tarieven kenbaar gemaakt.

                                                                        

Ereregels

Ereregels, laatstelijk gewijzigd (Art. 12) door de Algemene Ledenvergadering op 3 juli 2007.

1.  Alle gewone leden, leden-BMM gemachtigden en ereleden, zullen zich in de uitoefening van hun beroep gedragen overeenkomstig de belangen van het publiek, van hun cliënten, van het beroep en van de doelstellingen van de vereniging.

De Raad van Toezicht (zie artikel 15 van de Statuten) kan alle gewone leden, leden-B.M.M. gemachtigden en ereleden ter verantwoording roepen, zowel wat betreft hun eigen beroepshandelingen als wat betreft de beroepshandelingen van met hen samenwerkende of onder hun verantwoording werkende personen.

Waar hierna gesproken wordt van "leden" worden daarmee bedoeld de in dit artikel aangeduide leden.

2.  De leden zullen onwaardig gedrag vermijden in de uitoefening van hun beroep.

Bijvoorbeeld is het hen niet toegestaan:

a.  zich in enig opzicht zodanig te gedragen dat daarvan misleiding van een wederpartij, van enige autoriteit of van enige derde het gevolg zou kunnen zijn;

b.  strijdige belangen te behartigen, tenzij ter bemiddeling, en met de kennelijke toestemming van de betrokken partijen. Het verrichten van een depot is op zichzelf niet aan te merken als het behartigen van een
strijdig belang.

3. Behoudens het overigens in deze ereregels bepaalde, dient een lid zich bij de uitoefening van zijn beroep slechts te laten leiden door het belang van zijn opdrachtgever of cliënt, met uitsluiting van alle andere
belangen, zijn eigen belang daaronder begrepen; met dien verstande dat een lid zijn oordeel ten aanzien van hetgeen passend en in de omstandigheden dienstig is dient te vormen in onafhankelijkheid, ook ten opzichte van zijn opdrachtgever of cliënt.

4. Een lid dient in zijn beroepsuitoefening alle facetten van zijn praktijk met beleid en efficiëntie, en met de grootst mogelijke zorgvuldigheid waar te nemen. In financiële zaken dient een lid zich steeds met de
grootste nauwgezetheid te gedragen, zowel ten aanzien van zijn opdrachtgever of cliënt als ten aanzien van beroepsgenoten en derden.

5. Een lid behoort bij het berekenen van zijn honoraria redelijkheid te betrachten.

6. Niet slechts opdrachtgevers en cliënten maar ook beroepsgenoten en derden moeten erop kunnen vertrouwen dat wanneer aan een lid in de uitoefening van zijn beroep vertrouwelijke inlichtingen zijn verschaft, de vertrouwelijkheid daarvan zal worden gerespecteerd.

7. Een lid dient in zijn beroepsuitoefening te zorgen dat de opdrachtgever of cliënt steeds zodanig van alle terzake doende ontwikkelingen en omstandigheden op de hoogte is, dat deze in staat is om naar behoren te oordelen over de te nemen beslissingen.

8. Een lid dient zich in zijn beroepsuitoefening ten aanzien van beroepsgenoten te laten leiden door welwillendheid en redelijkheid.

9. a. Indien een lid een zaak in behandeling neemt die eerst door een ander lid werd behandeld, zal hij alvorens met de behandeling te beginnen bij de opdrachtgever informeren of die zijn voorganger het ter
zake van diens verrichtingen verschuldigde heeft voldaan en indien dat niet het geval is op onverwijlde afrekening en betaling aandringen. Indien de opdrachtgever de voorganger nog ambtelijke taksen moet vergoeden met betrekking tot de overgenomen zaak, zal de opvolger zijn werkzaamheden opschorten totdat die zullen zijn vergoed, tenzij de omstandigheden een dergelijke opschorting niet toelaten. 2)

b. Onverminderd het sub (a) bepaalde, is een lid gehouden om naar redelijkheid medewerking te verlenen aan een beroepsgenoot in zaken die door deze beroepsgenoot van het betreffende lid zijn overgenomen; daaronder is in elk geval begrepen het kosteloos en zonder verwijl verschaffen van de originelen (of, waar dat toereikend is, van kopieën) van alle redelijkerwijs dienstige dossierstukken.

10.  Ieder lid is verplicht om zich te richten naar verzoeken of instructies van de Raad van Toezicht.

Wervende activiteiten

11. Het is een lid toegestaan publiciteit te bedrijven, onverminderd zijn verantwoordelijkheid volgens de wet en voor zover zulks niet in strijd is met deze Ereregels. 3)

12. Wie als lid van de BMM is toegelaten, zal dit lidmaatschap niet vermelden in externe communicatie als zou uit dat enkele feit volgen dat hij door de BMM is erkend als merken- en/of modellengemachtigde, tenzij het lid is ingeschreven in een door de BMM ingericht register van merken- en modellengemachtigden en de ter zake van deze inschrijving en de externe communicatie gestelde voorwaarden door hem worden nageleefd. Bij externe communicatie van het kantoor waar een lid werkzaam is, moet iedere schijn worden vermeden dat het kantoor zelf of andere aan dat kantoor verbonden personen als merken- en/of modellengemachtigde zijn erkend door de BMM, terwijl zij dat niet zijn. Ieder lid ziet er op toe dat geen externe communicatie van het kantoor waar hij werkzaam is onder de naam van een lid plaatsvindt indien de desbetreffende persoon niet verantwoordelijk is voor de inhoud daarvan. 4)

13. Een lid dient erop toe te zien, dat publiciteit die door of ten behoeve van hem wordt bedreven in overeenstemming is met de zorgvuldigheid die een behoorlijk merkengemachtigde betaamt en geen inbreuk vormt op het streven van merkengemachtigden naar een onderlinge verhouding die berust op welwillendheid en vertrouwen. 5)

14. Het is een lid niet toegestaan publiciteit te bedrijven waarbij zijn diensten worden vergeleken met die van andere, met name aangeduide leden, voor zover die vergelijking misleidend is dan wel voor zover daarbij de naam van een ander lid wordt gebruikt. 6)

15. Het is een lid niet toegestaan publiciteit te bedrijven door het rechtstreeks en individueel benaderen van mogelijke opdrachtgevers, niet zijnde cliënten behoudens voor zover dat schriftelijk geschiedt. 7)

16. Behoudens voorafgaande toestemming van de cliënt is het een lid niet toegestaan publiciteit te bedrijven over de bijzonderheden van zaken die bij hem in behandeling zijn of zijn geweest, over de persoon van
zijn cliënt of over de aard en omvang van diens belangen. 8)

17. De publiciteit van een lid over zijn tarieven en voorwaarden dient ondubbelzinnig en duidelijk te zijn. Daartoe dient in ieder geval duidelijk te zijn op welke diensten zij betrekking hebben.

18. Het is niet toegestaan in publiciteit te volstaan met minimumprijzen.

19. Een lid is gebonden aan de door hem gepubliceerde tarieven en voorwaarden. 9)

Notities

•1. De directe aanleiding tot herziening van de Ereregels vormt het feit dat de Europese Commissie bij beschikking van 7 april 1999 nummer C (1999) 494
heeft geoordeeld dat de EPI-gedragscode niet verenigbaar is met artikel 85 EG-Verdrag voor zover die een categorisch reclameverbod bevat. Ereregels  gewijzigd (Art. 9 e.v.) door de Algemene Ledenvergadering op 5 april 2000.

•2. Naar het voorbeeld van de Nederlandse Orde van Advocaten wordt het niet juist geacht dat iemand in de uitoefening van zijn beroep wordt belemmerd een zaak in behandeling te nemen enkel ter bescherming van de
financiële belangen van een ander lid, aan wie de normale wettelijke middelen ten dienste staan ten einde betaling van zijn diensten te verkrijgen. Anders is het in het geval dat het niet betalen onbehoorlijk moet worden
geacht, waarbij met name gedacht moet worden aan het geval dat de gemachtigde een groot bedrag aan taksen of andere kosten heeft voorgeschoten. In beginsel kan de BMM hier slechts haar leden bindende
regels stellen. Het valt te hopen dat de burgerlijke rechter een dergelijke zorgvuldigheidsnorm algemene gelding zal geven.

•3.De voorgestelde regeling gaat uit van een vrijheid van publiciteit, maar stelt daaraan zekere voorwaarden en beperkingen. D.w.z. dat bij een toetsing van een
klacht aan de Ereregels de vrijheid voorop dient te
staan. De zinsnede " onverminderd zijn verantwoordelijkheid volgens de wet (vergelijk art. 7
van de Nederlandse Grondwet) beoogt tot uitdrukking te brengen dat gedragingen van een lid op het gebied van de publiciteit niet onttrokken zijn aan een beoordeling door de burgerlijke of strafrechter, of door de tuchtrechter op grond van wettelijke bepalingen die met de publiciteit zijn overtreden. Voorts verdient opmerking dat het begrip publiciteit beoogt alle naar buiten gerichte mededelingen te omvatten met inbegrip van berichten op het internet en via e-mail.

•4. Naar verwachting zal de wetgever het gebruik van het woord merkengemachtigde voorbehouden aan hen die blijk hebben gegeven van vakbekwaamheid en de BMM hoopt en verwacht dat haar leden door de eisen
die de BMM aan toelating stelt, zich daardoor als
merkengemachtigde kwalificeren. Indien men zich ook op andere wijze als merkengemachtigde kan
kwalificeren, krijgt de toevoeging BMM op den duur extra gewicht In artikel 1 is reeds voorzien in de aansprakelijkheid van de leden voor beroepshandelingen
van met hen samenwerkende of onder hun verantwoording werkende personen. In het kader van de publiciteit dient echter tevens te worden gewaakt
voor het gebruik van het betrouwbaarheids- en kwaliteitsimago van een (BMM) merkengemachtigde door personen die geen lid zijn door gebruik te maken
van het feit dat een ondergeschikte (BMM) merkengemachtigde is.

•5. Dit is een nadere uitwerking van de algemene regel die wordt gegeven door art. 8. In dit artikel wordt een vrij breed geformuleerde algemene zorgvuldigheidstoets geformuleerd waaraan publiciteit van een lid behoort te
voldoen. De formulering beoogt vooral aan te geven dat individuele reclame niet in de weg staat aan het algemene streven naar goede onderlinge verhoudingen tussen leden. Dat streven blijft een noodzakelijk                                                                                                   element voor een goede beroepsuitoefening. De algemene zorgvuldigheidsregel geldt niet alleen ten opzichte van het publiek en uiteraard de cliënten en andere leden, maar ook ten opzichte van de tegenpartij en derden die bij zaken van het lid betrokken zijn of geweest zijn. De Ereregels beogen de belangen van het publiek te beschermen en een onderlinge verhouding van welwillendheid en vertrouwen tussen leden in stand te houden. De onderlinge verhouding van welwillendheid en vertrouwen blijft bescherming verdienen omdat zijmede strekt tot bevordering van een goede beroepsuitoefening. De ervaring heeft geleerd dat een behoorlijke onderlinge verhouding tussen de leden van de BMM in het algemeen de goede behartiging van de aan hen toevertrouwde belangen bevordert. Wanneer bijvoorbeeld het verbod op de directe benadering van potentiële cliënten (artikel 15) zou worden opgeheven, zou dit de ontwikkeling van agressieve reclamecampagnes en het "overvallen" van cliënten in de hand kunnen werken. Daarbij verdient opmerking dat het niet gaat om min of meer openbare, tot consumenten gerichte mededelingen zodat de beperkingen van artikel 6:194 BW niet van toepassing zijn. (Voor alle duidelijkheid: benadering per post via direct mail is wel toegestaan, omdat de aard van dit medium een weloverwogen en zelfstandige beslissing beter mogelijk maakt.)

6.  (Zie ook noot 1) De formulering dat het een lid wordt verboden zijn diensten te vergelijken met die van andere, met name aangeduide leden bedoelt aan te
geven, dat een lid zich in publiciteit wel mag onderscheiden van andere leden in het algemeen, mits
niet misleidend, maar niet met een of meer ander, met name aangeduid lid. Sinds 1997 is de Europese Richtlijn 97/55/EGj* 84/450/EG betreffende misleidende en vergelijkende reclame van kracht Die richtlijn draagt de lidstaten op een en ander voor 23 april 2000 in hun nationale wetgeving op te nemen, maar het is vaste rechtspraak dat zolang dat niet het geval is, de nationale rechter de wet zo moet uitleggen en toepassen dat een richtlijn conform resultaat wordt bereikt. Voor Nederland werd dat destijds door de HR beslist in het Michelin-arrest. Artikel 4 van de (gewijzigde) richtlijn staat het de nationale wetgever toe regels te geven krachtens welke personen of organisaties, die volgens de nationale wetgeving een rechtmatig belang hebben bij het verbieden van misleidende reclame of het reguleren van vergelijkende reclame, zelf een uitspraak kunnen doen over een klacht. Daarnaast laat artikel 7 het toe dat de lidstaten een verdergaande bescherming tegen misleidende reclame geven van personen die een vrij beroep uitoefenen, mits de vergelijking als zodanig niet wordt verboden. Hieruit kan worden afgeleid dat het in elk geval niet mogelijk is dat de Ereregels het een lid verbieden vergelijkende reclame te maken, die niet misleidend is. Daarnaast valt af te wachten of de nationale wetgevers van de Benelux landen een regeling zullen geven die het mogelijk maakt zekere beperkingen aangaande de misleidende reclame voor het vrije beroep tuchtrechtelijk te handhaven. Het is te verwachten dat dat het geval zal zijn. Daarop vooruitlopend heeft de Raad van Toezicht gemeend dat de thans voorgestelde bepaling de rechteriijke toets in de toekomst zal doorstaan.

•7. Deze regel verbiedt leden potentiële opdrachtgevers die niet zijn cliënten zijn, telefonisch of in persoon te benaderen. Benadering per post is wel toegestaan,
omdat de aard van dit medium een weloverwogen en zelfstandige beslissing beter mogelijk maakt Direct mail die er specifiek op gericht is zaken van andere leden af te troggelen is niet toegestaan. Zie voorts de aantekening onder noot 5.

•8. Het heeft zin hieromtrent een expliciete regeling op te nemen, omdat met het zelfstandig optreden van de merkengemachtigde in gevallen van
inschrijvingsweigering en oppositie de belangen van de
cliënt en van het publiek eerder in het gedrang zullen komen, dan voorheen. Publiciteit bedrijven met de
uitslag van zaken of met de namen van bedrijven die
men tot zijn clientèle mag rekenen kan irritatie wekken en misleiding opleveren. Ben lid mag echter, binnen
zekere grenzen, wel meewerken aan publiciteit over een zaak die bij hem in behandeling is of is geweest. Bij iedere vorm van publiciteit, daaronder begrepen het beantwoorden van vragen van publiciteitsmedia of het anderszins verienen van medewerking aan publiciteit omtrent een zaak, die bij hem in behandeling is of geweest is, dient een lid immers het belang van de cliënt en de ten opzichte van hem in acht te nemen zorgvuldigheid voorop te stellen. Dat houdt onder meer in dat de cliënt voor die medewerking vooraf toestemming dient te verlenen en dat het lid zich in elk geval van die medewerking onthoudt indien de cliënt dat verlangt. Onder deze regel valt dus niet het publiceren over een in een bepaalde zaak spelend juridisch probleem zonder dat daarbij wordt medegedeeld dat men die zelfheeft behandeld of daarbij betrokken is geweest en zonder daarbij feitelijke gegevens te vermelden, die niet reeds openbaar toegankelijk zijn.

9. Voor tarieven bestaat veel belangstelling bij het publiek en het spreekt vanzelf dat publiciteit daarover mogelijk moet zijn overeenkomstig de aan publiciteit te stellen eisen. Omdat publiciteit niet misleidend mag zijn verdient het aanbeveling dat leden in hun tarieven kenbaar maken welk deel van het te berekenen bedrag bestaat uit salaris en welk deel uit kosten (taksen). Het lijkt in strijd met het vertrouwen in de merkengemachtigden dat de cliënt bij het Merkenbureau moet informeren wat de taksen zijn om zo vast te stellen welk salaris de merkengemachtigde berekent Voorts verplicht de wet kenbaar te maken of aan te geven wat het BTW bedrag is. De regeling verbiedt een lid niet in voorkomend geval minder in rekening te brengen dan in eerder gepubliceerde tarieven kenbaar gemaakt.